De ernstige beschuldiging die onderstaande kop bevat, heeft deze keer geen betrekking op de NAVO-bombardementen op Servië en Kosovo. Díe 'humanitaire interventie' werd immers uitgevoerd zonder VN-mandaat. Het gaat ons hier om de vergeten en verzwegen oorlog tegen Irak, die negen jaar geleden begon mét goedvinden van de Veiligheidsraad en die nu nog steeds voortduurt.

Genocide onder VN-vlag

Dagelijks door breken Amerikaanse verkenningsvliegtuigen de geluidsbarrière boven Bagdad. Dagelijks bestoken bommenwerpers elk Iraaks defensie systeem ook als zij van daaruit niet beschoten worden. De piloten hebben van het Amerikaanse opperbevel toestemming gekregen tot deze zogeheten 'preventieve zelfverdediging'.
Nadat Bagdad in december 1998 de inspecties van de Speciale Ontwapeningscommissie onmogelijk had gemaakt, besloot Washington tot hervatting van intensieve luchtacties. Als afstraffing werden toen vier nachten achtereen zware bombardementen uitgevoerd op militaire doelen. De VS kregen daarbij alleen de steun van Engeland. Alle andere leden van de anti-Irak-coalitie weigerden mee te werken en de Veiligheidsraad gaf er evenmin zijn fiat aan.
Terwijl deze strafoefening gepaard ging met veel mediageweld, trad er daarna een opvallende stilte in. Niet alleen over het feit dat de Amerikaanse luchtmacht zich dagelijks bleef manifesteren, maar ook over de humanitaire ramp die zich sinds jaren onder de burgerbevolking voltrekt. Een ramp die het directe gevolg is van de totale boycot die in augustus 1990 door de VN werd afgekondigd. Ondanks alarmerende geluiden vanuit de betrokken VN-organisaties, dringen hierover nauwelijks berichten door tot de grote pers.
Doordat de olie-export als gevolg van de boycot volledig werd stopgezet, kwam het land - dat economisch al sterk verzwakt was door acht jaar oorlog met Iran - van de ene op de andere dag zonder inkomsten te zitten. Weliswaar werd het olie-embargo in 1996 versoepeld, zodat Irak nu per half jaar olie mag verkopen tot een bedrag van 5 miljard dollar. Maar deze door de VN ingestelde olie-voor-voedsel-regeling bleek al gauw volslagen onvoldoende om de nood te lenigen. 
Daarvoor zijn twee redenen aan te wijzen. In de eerste plaats is gebleken dat niet meer dan 53% van de toegestane olie-inkomsten werkelijk voor voedsel en medicijnen besteed worden. Het overige deel (47%) moet worden afgedragen aan de Commissie voor Herstelbetalingen voor de door Koeweit opgelopen oorlogsschade. Dit betekent dat een vestiging van het olieconcern Texaco bijv. miljoenen aan schadeloosstelling mag incasseren, dankzij de door de VN ingestelde 'olie-voor-voedsel-regeling'. Ook de werkzaamheden van het VN-inspectieteam moesten uit deze inkomsten bekostigd worden.
De tweede verklaring voor de niet te lenigen nood is te vinden in de gevolgen van de Golfoorlog zelf. Na zes weken van zware bombardementen, waarbij niet alleen Koeweit, maar ook de grote steden Bagdad en Basra het doelwit waren, volgde een kort grondoffensief met de toepasselijke naam `Dessert Storm`. In vier dagen hadden de strijdkrachten van de anti-Irak-coalitie Koeweit bevrijd en de troepen van Saddam in de woestijn verpletterend verslagen. De gevolgen van deze grootscheepse operatie waren, naast een hoog aantal slachtoffers aan Iraakse zijde (naar schatting 90.000), ook een enorme schade aan de infrastructuur van het vrij hoog ontwikkelde en geïndustrialiseerde land. Herstel van deze schade bleek nauwelijks mogelijk. Tengevolge van het embargo mogen er geen onderdelen en materialen worden ingevoerd die ook voor militaire doeleinden gebruikt kunnen worden. Er is daarom niet allen gebrek aan voedsel en medicijnen maar ook aan schoon water. Niet minder dan 80% van de heersende ziektes worden veroorzaakt door besmet water.
Volgens een rapport dat vorig jaar door UNICEF werd opgesteld, zijn sinds de Golfoorlog 1.7 miljoen burgers door ondervoeding en ziekte overleden. Dat wil zeggen: ruim 250 doden per dag, waarvan meer dan de helft kinderen onder de vijf jaar.
Er is dan ook geen andere conclusie mogelijk, dan dat de economische sancties, die tien jaar geleden door de VN aan Irak zijn opgelegd, een wapen tot massavernietiging, tot genocide op een weerloze burgerbevolking geworden zijn. En dat de VN daarvoor medeverantwoordelijk zijn.

Tegenstemmen

Dat de VS langzamerhand alleen staan in hun onbuigzame houding ten aanzien van de sancties, kwam onlangs aan het licht toen kort na elkaar twee topfunctionarissen van de VN-organisaties hun ontslag indienden. De een, Hans von Sponeck, was chef van de VN-hulpoperaties in Irak, de ander, Jutta Burghart, hoofd van het wereld voedsel programma. Twee jaar gelden was trouwens de voorganger van von Sponeck, de Ier Dennis Halliday, al opgestapt, eveneens uit onvrede met de humanitaire situatie in Irak. Alle drie hadden ter plekke kunnen constateren dat de olie-voor-voedsel-regeling niet kon voorzien in de minimale behoeften van de 22 miljoen Irakezen.
Bij zijn vertrek verklaarde von Sponeck dat zijn enige hoop was, "dat het verstand de overhand zal krijgen en dat iemand internationaal de moed zal hebben om de humanitaire situatie opzichzelfstaand te zien en niet te gebruiken als werktuig om politieke doelen te bereiken." Tijdens een recente zitting van de Veiligheidsraad heeft de secretaris-generaal, Kofi Annan, zich in voorzichtige bewoordingen achter de mening van de afgetreden VN-functionarisen geschaard. Hij kreeg daarbij de steun van de drie permanentie leden van de raad - China, Frankrijk en Rusland - die al geruime tijd voor verlichting van de economische boycot hebben gepleit.
Veel scherper was steeds de kritiek die mensenrechtenactivisten al in een vroeger stadium hebben geuit op het anti-Irak-beleid van de VN en op de leidende rol daarbij van de VS. Twee jaar geleden zette Joost Hiltermann, als vertegenwoordiger van, 'Human Rights Watch', zijn zienswijze uiteen in een interview met De Groene Amsterdammer (van 10 juni 1998).
" De Veiligheidsraad heeft weliswaar het recht om sancties op te leggen, maar op voorwaarde dat die niet in strijd zijn met de uitgangspunten van het handvest. En onder die uitgangspunten vallen nu eenmaal de mensenrechten... Ik zie daarom alleen heil in zuiver militaire sanctie. Alleen een wapenembargo dat streng wordt nageleefd, is moreel te verantwoorden".
Over de concrete situatie in Irak kon hij uit eigen ervaring spreken. Drie weken na de wapenstilstand (in februari 1991) reisde hij naar de getroffen Irakese steden. Daar constateerde hij dat de materiele schade groter was dan de geallieerde voorlichters te kennen hadden gegeven. "Het ergst was de schade aan de elektriciteitsvoorziening. Geen waterpomp of waterreinigingsfabriek werkte meer, zodat niemand schoon water had... En die toestand is nog steeds niet veranderd. Want herstel van de oorlogsschade wordt door de sancties onmogelijk gemaakt". Naar zijn mening zijn de Amerikanen erop uit Irak zwak te houden, maar niet té zwak. "Daar is het hele systeem van sancties en controles op toegespitst. Als de interne repressie niet meer zou werken, krijg je een volksopstand of een inval van Iran, dat nog altijd compensatie eist vanwege die achtjarige oorlog. De politiestaat moet dus in stand blijven".
In zijn interview wees de vertegenwoordiger van Human Rights Watch nog op een andere inconsequentie in Washingtons Midden-Oostenpolitiek. Hij herinnerde aan de groots opgezette militaire operatie die Bagdad in 1988 tegen de opstandige Koerden ondernam. Door Saddams elitetroepen werden naar schatting 100.000 mannen, vrouwen en kinderen vermoord en in massagraven gegooid. De gehele bevolking van de stad Halabja werd met gifgas uitgeroeid. Het platteland werd ontvolkt en duizenden dorpen werden met de grond gelijk gemaakt. Op deze wrede actie volgde echter geen enkele sanctie. Saddam gold toen als een belangrijk bondgenoot. Kort na 'Halabja' verdubbelden de Amerikanen zelfs hun kredietgaranties aan Bagdad.
"Human Rights Watch probeert al jaren tevergeefs een genocidezaak tegen Irak aan te spannen bij het Internationale Gerechtshof in Den Haag. Voor een dergelijke rechtszaak is de steun van een overheid nodig en die steun wil geen enkele regering geven".
"Het resultaat is een volkenrechtelijke paradox: de bevolking van Irak wordt gestraft voor het gedrag van haar leiders - t.a.v. Koeweit - terwijl die leiders niet gestraft worden voor de genocide op de Koerden. Het Wereldgeweten ligt daar niet wakker van", zo concludeerde J. Hiltermann bitter.
De verklaring voor zo'n tegenstrijdigheid in het buitenlandse beleid van de VS. - en niet van de VS alleen - is simpel. In laatste instantie gaat het om de olie, om de ongestoorde toestroom van de goedkope brandstof, die de hoogontwikkelde industrie in de VS draaiende moet houden. De oorlog tegen Iran, noch de wrede onderdrukking van de Koerden vormen een bedreiging voor de oliebelangen. In beide gevallen waren Amerika en de Westerse industrielanden graag bereid Saddam met kredieten en wapens te steunen. Maar met zijn annexatie van Koeweit ging hij te ver. Van een bondgenoot werd hij een duivelse vijand wiens militaire en economische macht beknot moest worden en blijvend zwak gehouden - desnoods ten koste van miljoenen Irakezen. Maar, zoals gezegd, ook weer niet té zwak, zodat de eenheid van het land gehandhaafd blijft en Irak de rust en de status-quo rond de Perzisch-Arabische Golf niet opnieuw in gevaar kan brengen. In die regio zijn immers 2/3 van alle oliereserves in de wereld geconcentreerd.

Didi van Suchtelen

25-jarig jubileum

Stop de neutronenbom / Stop de wapenwedloop