|
Juli 1990. Zes maanden voor het begin van de Golfoorlog van 1991 verscheen een omvangrijk rapport van het Amerikaanse Leger met als titel: "Lange Termijn Strategische Studie van het Kinetische Energie Projectiel". Het rapport vergelijkt het gebruik van wolfraam en (verarmd) uraniummetaal in pantserdoordringende anti-tank munitie. Het rapport voorspelt dat de grote hoeveelheden uraniumoxiden die tijdens gevechtshandelingen ontstaan kunnen worden ingeademd door soldaten en burgers. Terug naar het begin De verwachte gezondheidseffecten zijn onder meer allerlei vormen van kanker en nierproblemen. Het rapport verklaart ook dat publieke kennis van de effecten van verarmd uranium op de gezondheid en milieu kunnen leiden tot het uitbannen van het gebruik van verarmd uranium in wapensystemen. Bijna tien jaar na het verschijnen van het rapport blikt Dan Fahey van de Amerikaanse Military Toxics Project (MTP) terug in zijn rapport "Don't Look, Don't Find" ("Niet kijken, niet vinden") en komt tot de conclusie dat veel van de voorspellingen, die door het Amerikaanse leger zijn gedaan, zijn uitgekomen. Het uitbannen van de radioactieve wapensystemen blijft echter een zaak van de lange adem. Het begon allemaal met Desert Storm, januari 1991. Tijdens de gevechtsoperaties vanuit de lucht en in mindere mate vanaf de grond vuurden de Amerikaanse gevechtsvliegtuigen en tanks 320 duizend kilo verarmd uranium af in Irak en Koeweit. Slechts een handjevol commandanten die de operaties vanuit Saoedi Arabië en Bahrein coördineerden wisten aan welke gevaren ze hun frontsoldaten, en later de burgerbevolking, blootstelden. Zelfs na het staakt-het-vuren werd het personeel dat met schoonmaak- en opruimwerkzaamheden werd belast niet ingelicht over de gevaren waar ze aan blootstonden. Toen na de Golfoorlog duizenden veteranen begonnen met het rapporteren van gezondheidsklachten bij hun huis- of legerarts was het Pentagon er snel bij om verarmd uranium (en chemische strijdmiddelen, vaccinaties met anthrax, enzovoort) als mogelijke oorzaak van de ziektes uit te sluiten [de parallellen met de nasleep van de Bijlmerramp zijn hierbij treffend, HvdK]. Zonder ook maar enig medisch onderzoek uit te voeren hadden de beleidsmakers hun oordeel al klaar: niemand is ziek geworden van hun blootstelling aan verarmd uranium (en/of andere giftige stoffen). Vijf opeenvolgende Amerikaanse onderzoeken naar Golfoorlogziekten dringen niet door tot het wezen van de blootstellingen aan verarmd uranium. Geen enkele van de tientallen hoorzittingen in het Amerikaanse Congres over Golfoorlogziekten was gewijd aan het ontmaskeren van het nog immer falende beleid van het Pentagon om hun troepen adequaat te trainen, beschermende uitrusting te geven of om besmette Golfoorlogveteranen medisch te laten testen. Het waren vooral de veteranen die betrokken waren bij de 'vriendelijk vuur'-incidenten die aan hoge concentraties stofdeeltjes uranium hebben blootgestaan. Na hun terugkomst werden ze net als andere veteranen die in contact zijn geweest met besmet materieel niet getest op besmetting met verarmd uranium. Een jaar na de Golfoorlog begon het Congreslid Ron Wyden hierover vragen te stellen. Een maand later begon de onderzoeksarm van het Amerikaanse Congres, de General Accounting Office (GAO), met een onderzoek naar de handelwijze van het Amerikaanse leger in de omgang met uraniumhoudend materieel. In het uiteindelijke rapport "Army Not Adequately Prepared to Deal With Depleted Uranium Contamination" ("Leger niet goed voorbereid in de omgang met verarmd uraniumbesmetting"), dat maart 1993 verscheen, bevelen de rapporteurs van het GAO aan om alle overlevende betrokkenen bij 'vriendelijk vuur'-incidenten vanaf juli '93 medisch te testen. In het rapport worden de federale onderzoekers voorgelogen door het leger. Slechts 35 veteranen zouden betrokken zijn geweest bij de incidenten. In werkelijkheid waren het er volgens Dan Fahey 122. Die leugen wordt vijf jaar lang en gedurende vier belangrijke overheidsonderzoeken naar Golfoorlogziekten volgehouden. In antwoord op de claim van Dan Fahey geeft Bernard Rostker, de directeur van het Bureau van de Assistent Secretaris van Defensie voor Golfoorlogziekten (OSAGWI) in een boze speech op een conferentie van veteranen toe dat het aantal betrokkenen 113 moet zijn. Dit jaar verlaagde hij dat aantal weer tot 107. Fahey vraagt zich af waarom het aantal zo lang zo laag werd gehouden. Een bureaucratische blunder? Of werd hier toch weloverwogen besloten om het aantal op 35 te houden om het aantal soldaten dat is blootgesteld aan verarmd uranium te bagatelliseren? Hetzelfde kunstje dat werd geflikt na de kernramp in Tsjernobyl. Met een stortvloed aan bewijs maakt de auteur aannemelijk dat dit laatste inderdaad het geval is. Het staat symbool voor alle andere leugens die door het Pentagon zijn gedebiteerd over de effecten van de Golfoorlog op de gezondheid van de veteranen. Zeven jaar lang hield het Pentagon vol dat slechts een paar dozijn veteranen aan verarmd uranium heeft blootgestaan. Onder toenemende druk van de organisaties van Golfoorlogveteranen gaf het Pentagon in 1998 toe dat mogelijk duizenden soldaten aan stofdeeltjes uranium hebben blootgestaan. Volgens Fahey zo'n 295.000 grondtroepen en enige tienduizenden troepen, waaronder de eenheden die betrokken waren bij schoonmaak- en opruimwerkzaamheden. Het is praktisch onuitvoerbaar om te bepalen aan hoeveel uraniumstof de veteranen hebben blootgestaan omdat niemand tot twee jaar na hun blootstelling is getest. Er zijn dus geen basisgegevens. Tal van veteranen zijn geïnterviewd in een poging de duur en de intensiteit van de mogelijke blootstellingen te achterhalen. De verhalen illustreren echter de moeilijkheid van het schatten van de doses waaraan de veteranen zijn blootgesteld. Eén van de vele verklaringen die Dan Fahey optekent is die van een sergeant van het 123ste Medische Detachement: "Onze commandant zond ons tot in Koeweit voor het verkrijgen van een vrachtlading van souvenirs. We reden door de slagveldgebieden, waaronder de 'Highway of Death', net toen de gevechten waren beëindigd, toen alles nog steeds zeer chaotisch was. Mensen van veel verschillende eenheden klommen allemaal op vernietigde tanks en andere pantservoertuigen. We klommen op Iraakse tanks en staken onze vingers in de ronde holen in de bepantsering waarvan ik nu weet dat die veroorzaakt waren door de uraniumhoudende patronen van de A-10 grondaanvalstoestellen. We verzamelden een truck vol met helmen, gasmaskers, granaathulzen, en andere souvenirs." Sommige veteranen zijn in contact geweest met tientallen besmette voertuigen, anderen nauwelijks. Er zijn veteranen die grote hoeveelheden uraniumstof hebben ingeademd, terwijl andere nauwelijks zijn blootgesteld. Fahey stelt terecht vast dat we waarschijnlijk nooit zullen weten in welke mate de Golfoorlogveteranen zijn blootgesteld aan verarmd uranium. Dat geldt evenzo voor de burgerbevolking van Irak, met name in het zuiden, die nog steeds opgezadeld zit met de radioactieve en giftige stofdeeltjes, die eeuwenlang onderdeel zullen blijven uitmaken van de natuurlijke kringloop in dat gebied (water, bodem, lucht). Het Centrum voor Gezondheid en Preventieve Geneeskunde van het Amerikaanse leger schat dat een inslag van één antitankgranaat resulteert in een blootstelling (inademing) van gemiddeld 12 milligram tot een maximum van 26 mg. Dit ligt ver boven de inhalatie-limiet (0,19 mg/dag) die is opgesteld door de commissie die belast is met nucleaire regelgeving (NRC). Ondanks de vele onzekerheden over de hoeveelheden van uraniumoxiden die veteranen hebben ingeademd, beweert het door het Pentagon gesponsorde onderzoek van de RAND Corporation uit 1999 dat geen enkele Golfoorlogveteraan voldoende deeltjes heeft ingeademd om gezondheidsproblemen te veroorzaken. Dat zou best waar kunnen zijn voor de veteranen die niet of nauwelijks in contact zijn geweest met een besmet voertuig. Maar voor de vele veteranen die tientallen besmette voertuigen bezochten lijkt dat in hoge mate onwaarschijnlijk. Het Pentagon beschouwt het RAND-rapport (de RAND Corp. is sinds de jaren vijftig één van de belangrijkste denktanks van het Amerikaanse leger, HvdK) als het bewijs dat Golfoorlogveteranen - op een paar dozijn na die splinters of fragmenten uraniummetaal in hun lichaam kregen - niet ziek zijn geworden van verarmd uranium. Dit soort uitspraken zijn onverdedigbaar, want er zijn geen wetenschappelijke bevindingen die deze uitspraken staven. Integendeel. Vele recente onderzoeken van Amerikaanse Defensie-instituten, die wonderlijk genoeg niet zijn opgenomen in het literatuuroverzicht van het RAND-rapport, wijzen in een andere richting. Alle onderzoekers in het Amerikaanse defensie-establishment dringen juist aan op nader onderzoek. De giftigheid van stofdeeltjes uranium hangt af van de oplosbaarheid van de oxiden die na verbranding van het zware metaal ontstaan. De slecht oplosbare deeltjes zijn vooral schadelijk voor de longen, terwijl de goed oplosbare deeltjes vooral schadelijk zijn voor de nieren. Het uranium hoopt zich op in allerlei organen en weefsels (spieren, milt, lever, hart, long, tanden, hersenen, lymfeklieren en testikels) en uiteindelijk vooral in het bot. Dat blijkt uit onderzoek bij proefdieren. Onder de 29 Amerikaanse veteranen van de 'vriendelijk vuur'-incidenten die totnogtoe zijn onderzocht zijn geen nierproblemen vastgesteld. Dat kan er op duiden dat de nieren bij relatief lage chronische blootstelling aan verarmd uranium niet langer kunnen worden beschouwd als het kritische orgaan. In overeenstemming met het proefdieronderzoek, waarbij geen nierschade werd aangetroffen maar wel fysiologische veranderingen in de hersenen, is er vooral sprake van neurologische problemen onder de onderzochte groep veteranen. Onder veteranen die betrokken waren bij de opruimwerkzaamheden is anderzijds wel schade aan de nieren aangetroffen. Andere aandoeningen die zijn vastgesteld zijn o.a. chronische ademhalingsklachten, aantasting van het afweersysteem en de vorming van tumoren. Een bijkomend probleem is dat een onbepaald deel van de Amerikaanse voorraden is besmet opgewerkt verarmd uranium. Dit uranium is afkomstig uit kernreactoren en bevat nog sporen van splijtingsproducten, waaronder plutonium, neptunium en technetium. De Amerikaanse ministeries van Energie en Defensie onderzoeken op dit moment de hoeveelheden plutonium en andere transuranen in de wapensystemen met verarmd uranium die de afgelopen dertig jaar zijn geproduceerd. Ondertussen is het uraniumhoudende wapentuig ook op veel andere plaatsen gebruikt. Pas recent werden door de NAVO 28 plaatsen bekendgemaakt waar met verarmd uranium in Kosovo is geschoten. Teruggekeerde Kosovaarse Albanezen, hulpverleners en KFOR-militairen kunnen zonder het te beseffen blootstaan aan de giftige stofdeeltjes. Evenals de Servische bevolking; de plaatsen in Servië zijn door de NAVO niet bekendgemaakt. De bewijslast ligt bij het Amerikaanse Ministerie van Defensie om aan te tonen of de door het Amerikaanse leger afgeschoten verarmd uranium in de VS, Irak, Koeweit, Saoedi Arabië, Japan, Puerto Rico, Bosnië, Kosovo of Servië hoge niveaus of slechts sporenhoeveelheden plutonium en andere transuranen bevat. Deze onzekerheid leidt tot verder complicaties in de pogingen de gezondheidseffecten van de uraniumbesmetting onder veteranen en burgers te onderzoeken. Voor iedereen die goed op de hoogte wil zijn over het militair gebruik van verarmd uranium en de gevolgen daarvan is het lezen van 'Don't look, don't find' een must! Henk van der Keur, stichting Laka
"Don't Look, Don't Find", Gulf War Veterans, the U.S. Government and Depleted Uranium 1990 - 2000Dan Fahey The Military Toxics Project, March 30, 2000, 64 blz., te bestellen bij:The Military Toxics Project, P.O. Box 558, Lewiston, ME 04243-0058, 00-1-207-783-5091http://www.miltoxproj.org miltoxpr@ime.net of tegen kopieer- en verzendkosten bij stichting LAKA, 020 - 616 82 94, laka@antenna.nlof bij het samenwerkingsverband Stop de wapenwedloop, 020-6232535, 020-4284060 (fax), stop@antenna.nl
|